UNESCO-Conventie

Het beleid in Vlaanderen voor immaterieel erfgoed is gebaseerd op de UNESCO-'Conventie voor het borgen van immaterieel cultureel erfgoed’ uit 2003.

De Conventie kwam er als aanvulling op de ‘Conventie voor de bescherming van het cultureel en natuurlijk werelderfgoed’ (1972), met de welgekende Werelderfgoedlijst. Deze conventie gaat over monumenten en landschappen met bijzondere waarde of die bedreigd zijn. UNESCO erkent met de Conventie uit 2003 dat ook niet-tastbare gebruiken erfgoed zijn. Ze geven uiting aan een culturele identiteit en diversiteit.

 

De speerpunten van de Conventie:

Cultureel erfgoed beperkt zich niet tot monumenten of voorwerpen. Ook tradities of gebruiken die we overerven en doorgeven vallen hieronder. We denken dan aan mondelinge overleveringen, opvoeringen, sociale gebruiken, kennis en praktijk i.v.m. de natuur, kennis en vaardigheden van traditionele ambachten ... Dit immaterieel erfgoed getuigt van menselijke creativiteit. Het is eigen aan mensen en culturen. Het vormt een uitstekende basis om elkaar in al onze rijke diversiteit als gelijken te leren kennen en respecteren.

Als immaterieel erfgoed niet wordt gekoesterd, bestaat de kans dat het een stille dood zal sterven. Of dat het enkel bewaard blijft als ‘iets uit het verleden’. Door het door te geven aan de volgende generaties blijft het leven. Het kan verder groeien en evolueren. Borgen betekent zo zorg dragen voor je erfgoed zodat het een blijvende rol kan spelen binnen een cultuur, dat het regelmatig uitgeoefend wordt en wordt aangeleerd aan volgende generaties.

De beoefenaars of dragers van het erfgoed, de erfgoedgemeenschap, zijn de ‘eigenaar’ van het erfgoed. Immaterieel erfgoed zit bij de mensen zelf, bij zij die het doen en beleven. Mensen blijven de sleutelrol spelen in het creëren en doorgeven van immaterieel erfgoed. Dit wordt niet vanuit een overheid bepaald of gestuurd.

Meer lezen

Klik door voor de Conventietekst en meer.